Kopafbeelding

Stuur een mail naar de Begeleidingsdienst voor Vrijescholen: P. van Meurs
Stel een vraag
Leerlijn Kijkwijzer spel:

Kijkwijzer Spel

De kijkwijzer is opgenomen in Volglijn, het digitale LOVS voor vrijescholen
U kunt de kijkwijzer ook bestellen bij de Begeleidingsdienst voor vrijescholen

Algemeen
Colofon Inleiding Gebruik    
Toelichting op items
Hoe speelt het kind Van welke
spelvormen maakt
het kind gebruik
Hoe speelt het kind samen Welbevinden van het kind tijdens het spelen Gebruik maken van taal tijdens het spelen Past het spel van het kind bij zijn/haar leeftijd
. . . Kijkwijzer . .

Joke van der Meij, Heleen Bom en Louise Berkhout

 

 

 

 

 

 

 

 

 Colofon    terug

Deze kijkwijzer spelontwikkeling is een onderdeel van het Kleutervolgsysteem voor vrijescholen.
Na eenmalige aanschaf door de school mag het materiaal voor eigen gebruik in de school vermenigvuldigd worden.
Niets uit deze uitgave mag voor andere doeleinden worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever,
de Begeleidingsdienst voor vrije scholen.
 
 
Winter 2009

Begeleidingsdienst voor vrijescholen
Hoofdstraat 14-b
3972 LA Driebergen
Tel. 0343-524090
 
email: begeleidingsdienst@vrijescholen.com
website: www.vrijescholen.com

 

 

 

 

 

 

 

 

Verantwoording en toelichting bij de kijkwijzer spelontwikkeling  terug

Inleiding
De kijkwijzer spelontwikkeling is ontwikkeld op vraag van kleuterleerkrachten van onze vrijescholen. Zij hadden behoefte aan een instrument om met een gerichte blik naar de vrije speluitingen van het kind te kijken. 
Hoe het kind speelt, zijn spelvoorkeur en hoe het samenspel met anderen verloopt laat veel zien over de wijze waarop de cognitieve-, taal-, sociaal-emotionele en wilsontwikkeling geïntegreerd is. Zijn hele wezen komt in het spel tot uitdrukking. Door naar het spelende kind te kijken kunnen we een indruk krijgen van de persoonlijkheid van het kind; hoe het zich verhoudt tot zichzelf en betrokken is bij de wereld om hem heen.

Als het een poosje niet goed gaat met het kind door life-events als verhuizing of de scheiding van ouders dan zien we dat terug aan opvallend, moeilijk of teruggetrokken speelgedrag. De spelkijkwijzer kan een hulp zijn bij het in kaart brengen van de (ontwikkelings)problemen die het kind ondervindt.
In het leerlingvolgsysteem van de Begeleidingsdienst voor vrijescholen zijn inmiddels kijkwijzers ontwikkeld voor de motorische ontwikkeling, de ontwikkeling van de reken-voorwaarden en van de taalvoorwaarden. Daarnaast bevat het systeem extra kijkwijzers om eventuele ontwikkelingsproblemen te signaleren op het gebied van taal en cognitie. Ook de spelkijkwijzer kan zo ingezet worden.

I ) Gebruik van de spelkijkwijzer
De spelkijkwijzer is bedoeld voor observaties van het vrije binnen- en buitenspel in de kleuterklassen. Op vrijescholen vormt het vrije spel ʻhet hartʼ  van de dagelijks terugkerende activiteiten. Het kenmerk van het vrije spel is dat het een activiteit is die door de kinderen zèlf ontplooid wordt. De keuzevrijheid is groot, het gebeurt vrijwillig en het spel is doel op zichzelf. Dat wil niet zeggen dat kinderen niet doelgericht kunnen spelen: ze kunnen doel-gericht een glijbaan bouwen of een schatkaart  knutselen,  maar de doelen zijn door hun zelf gesteld, meestal impliciet, en kunnen in het spelverloop met evenveel enthousiasme weer gewijzigd worden. Het gaat om de vreugde over wat er aan het ontstaan is.

De invullijst kan op verschillende manieren ingezet worden:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

II) Toelichting op de items

I) Hoe speelt het kind?    terug

De kwaliteit van het spel is aan verschillende factoren af te lezen. We kunnen een indruk krijgen van de mate en de wijze waarop het kind betrokken is bij het spelen.

Item: het kind speelt met plezier, intensiteit, concentratie
Als je naar kinderen kijkt valt het direct op dat gezonde kinderen plezier beleven aan het spelen. Ze kunnen er helemaal in opgaan en daarbij een grote concentratie aan de dag leggen.
Het vermogen tot concentratie neemt toe met de leeftijd; vierjarigen spelen korter achtereen dan zesjarigen.

 

Item: het kind kan zichzelf sturen
Het spel van kinderen vóór het vierde jaar is vaak driftmatig – het kind doet wat in hem opkomt. Naarmate hij meer beheersing over zijn impulsen krijgt (niet direct iets pakken als je het ziet, niet het speelgoed uit de handen van een ander kind trekken) kan hij zichzelf sturen. Dit leren kinderen enerzijds door opvoeding en het voorbeeld van de volwassenen, anderzijds ook door het beheersen van bijvoorbeeld lichamelijke functies zoals bij het zindelijk worden. 

Item: het kind speelt gevarieerd
Gevarieerd wil zeggen dat het kind van verschillende spelvormen gebruik maakt.
Spelen is bij uitstek een activiteit die in tijd en ruimte plaats vindt. Het is een proces waarbij het kind bijvoorbeeld begint met het mooi neerzetten van hekjes waarbinnen hij allerlei dieren plaatst, zoals in de dierentuin. Vervolgens laat hij de dieren bewegen of komt de oppasser het eten brengen of gebeurt er nog iets anders. Op diezelfde ochtend kan het kind overgaan naar het bouwen met kisten en (glij)planken. Er ontstaat een parcours met anderen waarbij ze volop glijden en klimmen. Halverwege is het parcours ineens een mollengang en zien we kenmerken van rollenspel opgenomen in het bewegingsspel. Als de intensiteit ontbreekt krijgt het spel een ander karakter: het kind loopt overal rond, kan zich niet verbinden; het spel wordt  vluchtig.    

 

Item: het kind neemt initiatief in het spel
Over het algemeen ontstaat bij een zich harmonisch ontwikkelend kind een wisselwerking tussen initiatief nemen en mee doen met het initiatief van anderen. Een geven en nemen.
Sommige kinderen zijn niet in staat zich aan het spel van anderen over te geven. Andere kinderen nemen zelden initiatief en laten zich het liefste leiden.

Item: het kind beweegt zich vrij in de ruimte
Rondkijken van vierjarige/ gewenning
Sommige kinderen moeten een grote schroom overwinnen om hun eigen ruimte in te nemen in de zandbak of speelmat en blijven aan de kant afwachtend toekijken. Andere kinderen verliezen zich in de ruimte van de speelplaats of het klaslokaal. Het eerste type kind valt meestal minder op; het tweede type kind trekt alle aandacht, omdat het overal tegen aan botst of het spel van de anderen verstoort. Beiden hebben behoefte aan spelbegeleiding om in hun eigen element te komen.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


2. Van welke spelvormen maakt het kind gebruik?    terug
De kijkwijzer volgt de spelontwikkeling door de eerste zeven jaar. De eerste zevenjaars-periode staat in het teken van fysiologische (lichamelijke) rijping. Bij het gezonde kind is er een soort constante stroom van lichamelijk, en daarmee gepaard gaand psychisch, welbevinden waarop het kind drijft. Binnen deze eerste periode van zeven jaar is er een grote drang bij het kind om de denk- gevoels- en wilsontwikkeling aan te gaan. Samengevat komt het er op neer dat het kind vanaf de geboorte met al zijn zintuigen gericht is op de omgeving. In deze fase ontdekt het kind zijn eigen lichamelijkheid en de tastbare wereld om hem heen in het sensopatisch en manipulatieve spel. Het gaat zich oprichten, leert lopen en spreken. Het denken van de peuter berust aanvankelijk op het verbinden van waarnemingen met elkaar (schoentjes aantrekken betekent naar buiten gaan). In het functionele spel en het korte net-alsof spel laat het kind zien dat het betekenis ontleent aan de dingen waarmee we hem omringen. Het spel is nog vluchtig want er is elk moment iets dat zijn aandacht trekt en dat opgenomen en nagebootst moet worden. Rond twee/ drie jaar ontstaat het ikbewustzijn, waardoor het kind een andere verhouding tot de wereld krijgt. Het geheugen verinnerlijkt, en de innerlijke beelden verschijnen in korte associatieve rollenspelletjes. Vervolgens ontstaat vanaf ongeveer het vierde jaar de scheppende fantasie, beelden uit de realiteit smelten samen met de eigen beleving. Rond het vijfde jaar bereikt de fantasie een hoogtepunt en begint de overgang naar een meer doelgerichte omgang met de omgeving. Tegen het zesde jaar is het kind er aan toe om zich in te gaan zetten voor het schoolse leren.

Het hangt van meerdere factoren af of het spelen zo vloeiend gaat als hierboven beschreven. Kinderen kunnen bijvoorbeeld een aanleg (constitutie) hebben die hen vluchtig maakt in alles wat ze doen. Of een kind kan een sterke neiging hebben om het spel te willen sturen – elk tegenstribbelen van een klasgenootje kan het spel doen stokken. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen. Als een kind opvallend gedrag vertoont, bij welk item dan ook, gaat het er om dit gedrag zo goed mogelijk te beschrijven, bijvoorbeeld in de rubriek opmerkingen.

Er zijn verschillende visies over de spelfasen die kinderen doormaken. Voor de kijkwijzer is een selectie gemaakt uit de belangrijkste visies en is daarnaast gebruik gemaakt van een eigen aanvulling. Kinderen maken een ontwikkeling door in het spel van eenvoudig naar meer gedifferentieerd spel. Vroege vormen blijven bestaan.
De genoemde leeftijden zijn een indicatie.
 
2.1; De omgang met het materiaal in verschillende spelvormen
Item: senso-pathisch spel vanaf ½ jaar
Het kind beleeft zintuiglijk genoegen aan de omgang met bijvoorbeeld zand, water, schapenvachtje, maken van geluiden. In het sensopatisch spel ontmoet het kind de materiële kwaliteiten om hem heen, maar ook ervaart het aan de zintuigen zijn eigen lichamelijkheid.
Voorwaarden: in de opvoeding een waardevrije en positieve benadering van materialen die vaak als ‘’vies’’ worden beschouwd; zand, modder, klei, water, natte herfstbladeren etc.
Belemmeringen: die spelen op als het kind niet gewend is om met deze materialen om te gaan; een gestoorde tastzin.

Item: gericht manipulerend spel en beweging vanaf 1 jaar
Het kind beleeft plezier aan het ontdekken van de uitdagende materialen om hem heen. Het is gericht op de exploratie van het materiaal. Op kleuterleeftijd zien we dit gedrag bijvoorbeeld ook als een nieuwe hijskraan of eigen constructie uitgeprobeerd moet worden.
Voorwaarden: een uitdagende speelomgeving, waarin de ruimte en de gelegenheid is iets te ontdekken.
Belemmeringen: angstig terughoudend gedrag weerhoudt sommige kinderen ervan de wereld te ontdekken.

Item: functioneel spel vanaf 1,5 jaar
Vanuit het manipuleren ontdekt het kind waar het materiaal voor bedoeld is. Het kind ziet de functie en herhaalt de handelingen met plezier en kleine variaties. Bijv. thee drinken met het kleine servies, pop kammen, auto’s mooi in het gelid voor het stoplicht.
Voorwaarden: herkenbaar speelgoed.
Belemmeringen: als kinderen de betekenis of de mogelijkheden van het materiaal niet gaan begrijpen, zien we dat ook in het gedrag terug: ze proberen alle boerderijdieren in de cabine van de auto te proppen, botsen zinloos met auto’s tegen elkaar of trekken alle poppen de kleertjes wel uit maar laten deze verder aan hun lot over. Ook bij onrustige kinderen zien we dit gedrag terug.

2.2 : Het fantasiespel krijgt meer samenhang naarmate het kind ouder wordt.
Item: imitatiespel vanaf 2 jaar
Vanuit nabootsing speelt het na wat het de grote mensen om hem heen ziet doen. Dit spel wordt ingegeven door het materiaal wat ter beschikking is. Het ronde platte bord op tafel associeert hij met het stuur van de buschauffeur en heel even doet hij als de buschauffeur terwijl hij aan het bord draait en broem, broem doet, gewoon aan tafel, tijdens het ontbijt. Op deze leeftijd kunnen kinderen ook eindeloos geboeid naar oudere kinderen kijken zonder enige uiterlijke aanvechting om mee te doen; ze bewegen innerlijk wel mee!
Voorwaarde: een goede waarneming en een gevoel van veiligheid om zich open te stellen.
Belemmeringen: elk gezonde twee jarige bootst na vanuit zijn betrokkenheid op de wereld. Als het niet nabootst kan het duiden op een ontwikkelingsprobleem. Ook in de kleutertijd leren de kinderen veel van elkaar en van de volwassenen door nabootsing. Als een kleuterklas geen goed spelende oudste kleuters heeft zal de leerkracht zich extra in moeten zetten met goede speelvoorbeelden!
Een jonge kleuter zal de eerste maanden wellicht terugvallen op toeschouwergedrag en eenvoudig nabootsspel voordat het tot eigen fantasie– en samenspel komt.     

Item: fantasiespel vanaf 3- 5 jaar
Het kind verzamelt het materiaal om zijn eigen fantasiewereld te scheppen. Vanuit de verbeelding worden dagelijkse gebruiksdingen zoals een kussen plotseling een boot het blauwe kleed is het water. Het fantasiespel kan door nieuwe materialen of een kleine suggestie bij kleuters makkelijk een andere richting opgaan; het is nog niet zo doelgericht en de aanleiding komt van buiten.
Dit is een verschil met de kinderen vanaf 7 jaar. Die spelen een fantasiespel met meer samenhang door de afspraken onderling en ook langduriger.
Voorwaarden: stabiliteit in de leefomgeving, voorbeelden.
Belemmeringen: angstige of teruggetrokken kinderen kunnen vluchten in hun eigen wereldje zonder deze te durven realiseren in het spel. Zij blijven passief toeschouwer. Kinderen met een sterk op prestatiegerichte opvoeding durven zich soms ook niet over te geven aan de belangeloze bezigheid en kunnen vragen om opdrachtjes of werkjes.

Item: interactief rollenspel vanaf 4-5 jaar
Het kind speelt samen met anderen: bijv. dokter en zieke; hondje en baasje. Het spel ontwikkelt zich al doende zonder vooraf afgesproken plan.

Item: verhalend spel vanaf 6-7 jaar
Het verbeeldend rollenspel van een schoolrijpe kleuter ontwikkelt zich in samenspel met anderen; zij overleggen over het verloop. Vaak zijn ze daar zo lang mee bezig dat er nog maar weinig gelegenheid is tot uitspelen!

2.3 Het kind laat voorkeur voor bepaald spel zien
Als kinderen vaak hetzelfde spel laten zien, zegt dat veel over de interesse en affiniteit van het kind. Als het spel zelden wisselt van vorm en zich niet ontwikkelt, roept het vragen op naar de (on)mogelijkheden van het kind. Sommige kinderen met een ontwikkelingsstoornis laten eenzijdig spel zien. Het komt ook voor dat kinderen wel graag met ander materiaal spelen, maar niet voor zichzelf durven op te komen of omdat ze niet weten hoe ze moeten communiceren. Een kleine aanmoediging kan dan al helpen. 

Item: doelgericht bouwen met groot materiaal vanaf 4-5 jaar
Het kind kan met kisten en planken en lappen zelfstandig allerlei hutten, mollengangen en boten bouwen.
Voorwaarde: er moet voldoende materiaal ter beschikking zijn voor dit soort grote en sociale projecten.
Belemmeringen: onwennigheid om met de grote materialen om te gaan.

Item: doelgericht bouwen en construeren met klein materiaal vanaf 4 jaar
Het kind bouwt met kapla, kleine blokjes, construeert treinbanen etc.
Voorwaarden: een afgeschermde rustige plek in de klas waar het project niet in gevaar komt. Gevarieerd constructiemateriaal.
Belemmeringen: een gestoorde oog-handcoördinatie; onrust, concentratieproblemen.

Item: het spelend ordenen
Het kind ordent de materialen naar eigen ontwerp met een zeker gevoel voor esthetiek. Dit spel zien we veel in onze kleuterklassen; waarschijnlijk daagt al het mooie materiaal daartoe uit! Zo ontstaan er landschappen, doolhoven van edelstenen, of wordt er een picknickkleed gedekt met bordjes, flesjes, bloemen etc. De intentie kan uitgesproken zijn: ‘’we gaan picknicken!’’. Maar het komt vaak niet tot uitspelen. Het gaat om het mooi rangschikken, om het al doende scheppen zonder van te voren bedacht resultaat.
Voorwaarden: mooie materialen.
Belemmeringen: deze kunnen ontstaan door een prestatiegerichte omgeving waardoor de kinderen stil kunnen vallen of faalangstig worden. Dat kan ook het effect zijn van goed bedoelde vragen als: Wat gaan jullie doen? Of een opdracht: Maak maar eens een mooie boerderij!

Item: knutselspel vanaf 5 jaar
Deze activiteit laten we ook onder het vrije spel vallen als het kind zelfstandig knutselt met papier e.d. zonder dat het daarvoor van te voren een opdracht gekregen heeft van de leerkracht. Het kan bijvoorbeeld op de gedachte komen dat er boekjes gevouwen moeten worden voor de winkel. Of dat die mooie tekening met een kartonnen lijstje eromheen een mooi cadeautje voor oma kan worden.
Voorwaarden; knutselmaterialen als schaar, touw, lijm en kleurig papier van divers formaat dat geregeld vrij ter beschikking is.
Belemmeringen: een weinig stimulerende omgeving; onhandige oog-handcoördinatie; faalangst door prestatiegerichte opvoeding.

Item: bewegingsspel vanaf 4 jaar
De onderste zintuigen van het kind zijn vanaf ongeveer 3 of 4 jaar zover uitgerijpt dat het zelfstandig klimt, stoeit, springt, gooit met een pittenzakje of bal en zichzelf zo verder ontwikkelt.
Voorwaarden: de ruimte om veel en vrij te bewegen, goed ontwikkelde onderste zintuigen, maar ook het vermogen om afstanden en diepten in te kunnen schatten.
Belemmeringen: gestoorde zintuiglijke ontwikkeling, onvrijheid voelen om zich in de ruimte te bewegen.

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Hoe speelt het kind samen?    terug
Een belangrijke factor in de sociale ontwikkeling van jonge kinderen is het ontstaan van het ik- bewustzijn. Daarna volgt het onderscheid tussen ‘ik’ en de ‘ander’. Meevoelen van het verdriet of de vreugde van een ander kind of volwassene is al vroeg aanwezig. Maar empathie, het aanvoelen wat er in een ander omgaat, treedt pas later in de ontwikkeling op. Bij kleuters heeft moraliseren over het gedrag weinig zin. Voordoen en voorleven wordt door jonge kinderen nagebootst en overgenomen.

Items: solitair spel; parallelspel; associatief spel;samenspel
In het spel van het kind is er een ontwikkeling te zien: de baby en jonge peuter speelt solitair terwijl hij de aanwezigheid van andere kinderen wel zichtbaar waardeert. Vervolgens verschijnt het parallelspel waarin vooral wordt nagebootst. In de kleuterklas zien we dat gedrag bijvoorbeeld op de bouwmat waar ieder zijn eigen toren bouwt. In het associatieve spel vanaf een jaar of drie lijken de kinderen al samen te spelen maar hun belevingswereld wordt nog niet gedeeld. Zo kan het ene kind vertellen dat de schommelboot waarin het zit naar een warm land vaart, terwijl het speelgenootje naast hem meldt dat ze naar oma in Duitsland rijdt. Vanaf vier jaar zien we het vermogen om samen te spelen toenemen in interactief rollenspel en in gezamenlijke bouwprojecten waarin de oudsten het overzicht houden. Het regelspel zoals een balspel of verstoppertje staat aan het eind van de samenspel-ontwikkeling. Regels volgen vraagt het vermogen om de eigen belangen opzij te schuiven t.b.v. het spel. Dat lukt meestal nog niet bij vier of 5 jarigen, zij kunnen nog niet relativeren; de speelwereld en de echte wereld vallen voor hen nog samen.
Regelspel leren de kinderen eigenlijk pas echt zelfstandig spelen in de onderbouw. Als een volwassene de regels bewaakt en eventueel vereenvoudigt, kunnen oudste kleuters echter wel plezier beleven aan een eenvoudig bordspel of bewegingsspelletje zonder sterk competitie-element. In het samenspel en rollenspel kunnen ook spontaan regels en afspraakjes ontstaan over het verloop van het spel.

Item: het kind kan geven en nemen
Dit leren kinderen niet vanzelf, het moet voorgedaan en voorgeleefd worden. Als het kind zelfvertrouwen heeft gaat dat beter dan wanneer het kind onzeker is.

Item: het kind kan voor zichzelf opkomen
Sommige kinderen zijn van nature verlegen en bescheiden en kunnen hier moeite mee hebben.

Item: het kind kan op zijn beurt wachten
Heel jonge kinderen zijn impulsief. Langzamerhand is het kind meer in staat om zich te beheersen en zijn emoties te reguleren. Vierjarigen kunnen hier nog moeite mee hebben, zesjarigen normaliter niet.

Item: het kind kan zich uiten (verbaal of non-verbaal)
Sociale competentie, het weten om te gaan met anderen, is voor een groot deel afhankelijk van de mate waarin het kind zich kan uiten. Als het kan zeggen wat het bedoelt, als het kan vragen of het mee kan spelen of aan kan geven wanneer iets tegen zijn zin is, heeft een kind belangrijke vaardigheden verworven voor het sociale verkeer.

Item: het kind neemt de leiding
Leiding nemen heeft met zelfvertrouwen te maken en met initiatiefkracht. Er zijn kinderen die als vanzelfsprekend de leiding nemen en anderen die het liefste volgen.
Jonge kinderen achtervolgen elkaar vaak met veel plezier op handen en voeten of over de speelplaats met geen ander doel dan dat. Sommige kinderen zijn ook als oudste kleuter altijd het hondje of de patiënt in samenspel met een vast vriendje.Het is goed om er op te letten dat de kinderen de leidende en volgende rol afwisselen zodat er ook binnen de vriendschap ruimte blijft voor ontwikkeling!

Item: regelspel vanaf 6- 7 jaar
Een knikkerspel of een bordspel met een paar eenvoudige regels kan een oudste kleuter wel begrijpen. Jongere kinderen beleven het verschil tussen spel en werkelijkheid nog niet; voelen zich snel tekort gedaan en hebben moeite met het onthouden van de regels. Dat gaat ook op voor de impliciete regels bij verbeeldend rollenspel.

Item: het kind staat open voor spelsuggesties van de leerkracht
Een spelidee van een ander overnemen heeft te maken met beweeglijkheid en begrip. Sommige kinderen krijgen met een klein grapje of een opgewekte opmerking alweer nieuwe zin in een spel; andere kinderen vragen dat je even meedenkt over een nieuw plan of een oplossing aandraagt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4. Welbevinden van het kind tijdens het spelen     terug
Gezonde kinderen spelen. Omstandigheden van buitenaf (bijv. het kind voelt zich niet veilig) of van binnenuit (het kind heeft problemen, voelt zich niet lekker) kunnen het spel beïnvloeden.

Item: Welke indruk maakt het kind tijdens het spelen? Introvert- wisselend- extravert-normaal
Een kind dat vaak op dezelfde plek speelt zonder anderen daarbij te betrekken, kan een naar binnen gekeerde (introverte) indruk maken. Een kind dat heel erg op de omgeving gericht is en zich duidelijk manifesteert, maakt een meer extraverte (naar buiten gerichte) indruk. Kinderen met ADHD laten beide extremen zien.

Item: Heeft het kind energie? Levenslust?
Als het kind snel moe is en over weinig energie en levenslust lijkt te beschikken, is dat een aanwijzing voor nader onderzoek. Misschien wordt het kind ziek of zijn er problemen thuis.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

5. Gebruik maken van taal bij het spelen    terug
Gebrek aan taal kan een oorzaak zijn van moeizaam samenspel en stagneert andere sociale vermogens. Zie “vroege kenmerken van dyslexie” in “Kinderen leren lezen”. Veel spreken vervangt voor sommige kinderen het handelen, ook dat kan spelontwikkeling tegenhouden.

Item: het kind begeleidt het spel met taal
Kinderen met een normale taalontwikkeling spreken bij het spelen. Bij het samenspelen en verhalend rollenspel is taal een van de belangrijkste middelen om te communiceren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Past het spel van het kind bij zijn/ haar leeftijd?     terug
Let op de items genoemd onder 1, 2, 3, 5, 6.

Kinderen kunnen een terugval in het spel laten zien bij ziekte, stress, life-events (scheiding ouders, verhuizing, geboorte broertje of zusje).
Bij cognitieve ontwikkelingsmoeilijkheden laat het kind zeer eenvoudig of eenzijdig spel zien. Zie ook de lijst “vroege kenmerken van cognitieve problemen” in “Kinderen gaan rekenen”.

III. De kijkwijzer ingevuld – wat nu?
Als het goed is geeft de ingevulde kijkwijzer een tamelijk compleet beeld van de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Als er opvallende zaken bij de verschillende rubrieken naar voren komen, is het van belang om dit in de conclusie te verwoorden en eventuele stappen te formuleren. Bijvoorbeeld een meer intensieve begeleiding van het spel in de klas, een gesprek met de ouders, het inschakelen van deskundigen.

----------------------------------------------------------------------------
Piaget (ontwikkelingspsycholoog) ziet in spel de uitdrukking van de cognitieve ontwikkeling.
Lievegoed (kinderpsychiater) beschouwt het spel van jonge kinderen als een uiting van de ontwikkeling van het gevoelsleven.
Steiner (grondlegger van de antroposofie) beschrijft het fantasiespel in relatie tot de fysiek/ etherische ontwikkeling en het samenspel als uiting van een sociaal vermogen wat na het vijfde jaar pas echt tot stand komt. Voor die leeftijd gebruikt het kind de ander om vooral zijn eigen doelen te verwezenlijken!
Vygotsky (grondlegger van de Russische handelingspsychologie) benadrukt de grote invloed van de sociale en cultuurhistorische omgeving op leren en spelen.
Frya-Janssen-Vos; onderwijspedagoog wijst op het belang van het begeleid spel in haar boeken over basisontwikkeling en heeft de visies van vorige generaties handelingspsychologen verder uitgewerkt.
Hellendoorn (orthopedagoog) beschrijft de ontwikkeling in de omgang met het spelmateriaal.
Ten slotte Vermeer; pedagoog uit de fenomenologische school, gebruikt het spelgedrag als diagnostisch instrument. Zo krijgt zij een indruk van de persoonlijkheid van het kind; hoe het zich verhoudt tot zichzelf en de wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kijkwijzer spelontwikkeling + invullijst    terug
                                            
Naam kind:                                       Ingevuld door:                                 School:


 

Datum en leeftijd eerste spelobservatie

Datum:             leeftijd:

Datum en leeftijd tweede spelobservatie

Datum:         leeftijd:

1. Hoe speelt het kind? 

Toelichting bij 1:
De kwaliteit van het spel is aan verschillende factoren af te lezen:

Het kind speelt met plezier

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind speelt met intensiteit
(intensiteit is de mate waarin het kind opgaat in zijn spel)

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind speelt met concentratie
(het kind kan langere tijd achtereen de aandacht richten naarmate het ouder wordt zodat er meer samenhangend spel ontstaat)    

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind kan zichzelf sturen (reguleren)
(zelfregulatie blijkt uit het kunnen beheersen van impulsen)

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind speelt gevarieerd

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind neemt initiatief in het spel

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind beweegt zich vrij in de ruimte. 
 

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Toelichting op de spelkwaliteit

 

 

 

 

 

 

 

 

 2. Van welke spelvormen maakt het kind
gebruik?

Toelichting bij 2: Kinderen maken een ontwikkeling door in het spel van een eenvoudige fase naar een meer  gedifferentieerde fase. De vroege vormen blijven bestaan.

2.1: De omgang met het materiaal in verschillende spelvormen

Sensopathisch spel vanaf ½ jaar
Het kind beleeft zintuiglijk genoegen aan de omgang met bijvoorbeeld zand, water, schapenvachtje, maken van geluiden.

vaak/ soms/ zelden

 

vaak/ soms/ zelden

 

 

Gericht manipulerend spel en beweging vanaf 1 jaar. Het kind heeft plezier in het ontdekken van nieuwe gebruiksmogelijkheden van de materialen. (exploratie)

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden


Functioneel spel vanaf 1,5 jaar
Het kind gebruikt het materiaal waarvoor het bedoeld is, vaak als herhaling met kleine variaties. Bijv. thee drinken met het kleine servies, takelen met kraanwagen.

vaak/soms/zelden

 

 

vaak/soms/zelden

 

 

2.2 Het fantasiespel krijgt meer samenhang naarmate de kinderen ouder worden

Imitatiespel vanaf 2 jaar
Het kind neemt voor korte tijd een rol aan.Eerste net-alsof handelingen. Bijv.: gebruikt zijn ontbijtbordje als stuur en is even buschauffeur, proeft van zandtaartje in zandbak

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Het eigenlijke fantasiespel vanaf 3- 5 jaar
Het kind speelt ‘doen alsof’, gebruikt zijn fantasie om een eigen werkelijkheid te verbeelden: Het blauwe kleed is het water en de kussens zijn eilandjes.

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Interactief rollenspel vanaf 4- 5 jaar
Het kind speelt samen met anderen: bijv. dokter en zieke; hondje en baasje.

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Verbeeldend spel vanaf 6/ 7 jaar
De kinderen verdelen de rollen en regisseren het spelverloop

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

2.3 Het kind laat voorkeur voor bepaald spel zien

Doelgericht bouwen met groot materiaal vanaf 4 jaar
Het kind bouwt met planken, kisten, doeken.

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Doelgericht bouwen en construeren met klein materiaal vanaf 4 jaar
Het kind bouwt met kapla, kleine blokjes, meccano

vaak/ soms/ zelden

vaak/soms/zelden

Het spelend ordenen   vanaf 4 jaar
Het kind gaat op in het mooi rangschikken van het materiaal: boerderij, poppenhuis, mozaïek.  

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Knutselspel vanaf 4 jaar
Het kind knutselt met papier e.d.zonder vooraf gestelde opdracht.  

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Bewegingsspel
( ballen ,springtouw, klimmen, tikkertje)

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Het kind laat een voorkeur voor bepaald spel zien hier nog niet genoemd nml.:

 

 

Toelichting op de spelvormen waarvan het kind gebruik maakt:

 

 

 

 


3. Hoe speelt het kind samen?

Toelichting bij 3: in het spel van het kind is er een ontwikkeling te zien van solitair spel naar samenspel 

Solitair spel vanaf 1 jaar

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Paralelspel, bootst na; vanaf 2 jaar   

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Associatief spel. Doet eigen zin maar reageert wel op anderen; vanaf 3 jaar.

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Samenspel vanaf 4 jaar.

vaak/soms/zelden

vaak/soms/zelden

Het kind kan geven en nemen.

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind kan voor zichzelf opkomen.

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind kan op zijn beurt wachten.

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind kan zich uiten (verbaal of non-verbaal)

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind neemt de leiding.

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind kan omgaan met de regels en afspraken die onderling ontstaan. vanaf 6 of 7 jaar  

voldoende/soms/zelden

voldoende/soms/zelden

Het kind staat open voor spelsuggesties van de leerkracht .

voldoende/soms/zelden 

voldoende/soms/zelden 

Toelichting op de ontwikkeling van het samenspel:

 

 

 

4. Welbevinden van het kind tijdens het spelen

Toelichting bij 5: gezonde kinderen spelen.
Omstandigheden van buitenaf (bijv. het kind voelt zich niet veilig) of van binnenuit (het kind heeft problemen, voelt zich niet lekker) kunnen het spel beïnvloeden.

Welke indruk maakt het kind tijdens het spelen?

introvert – wisselend- normaal - extravert

introvert – wisselend- normaal- extravert

Speelt het kind met energie? Levenslust?

vaak-soms- zelden

vaak-soms - zelden

Toelichting op het welbevinden van het kind

 

 

 

 

 

5. Gebruik maken van taal bij het spelen

.

.

Toelichting bij 6: Gebrek aan taal kan een oorzaak zijn van moeizaam samenspel en stagneert andere sociale vermogens. Zie “vroege kenmerken van dyslexie” in “Kinderen leren lezen”.

Het kind begeleidt het spel met taal

veel-voldoende – beperkt

veel-voldoende– beperkt

Overige observaties taalgebruik

 

 

 

 

 

6. Past het spel van het kind bij zijn/ haar leeftijd?
Let op de items genoemd onder 1, 2, 3, 4, 5, 6

Omschrijving bij 1e spelobservatie


Omschrijving bij 2e spelobservatie




Toelichting bij 6: Kinderen kunnen een terugval in het spel laten zien bij ziekte, stress, life-events (scheiding ouders, verhuizing, overlijden, geboorte broertje of zusje).
Bij cognitieve ontwikkelingsmoeilijkheden laat het kind zeer eenvoudig of eenzijdig spel zien. Zie ook de lijst “vroege kenmerken van cognitieve problemen” in “Kinderen gaan rekenen”.

Ja, het spel past bij de leeftijd want:
Of:
Nee, het spel past niet bij de leeftijd want:


 

 

 

 
Samenvatting:

 

Sterk in:

 

Aandachtspunten:

 

Afspraken:

Terug naar begin document


Lievegoed, B.C.J. (2003) Ontwikkelingsfasen van het kind

“Kinderen leren lezen”  Publicatie Vereniging van vrijescholen, Driebergen, 2005.

“Kinderen gaan rekenen”  Publicatie Vereniging van vrijescholen, Driebergen, 2006.

“Kinderen leren lezen”  Publicatie Vereniging van vrijescholen, Driebergen, 2005.

“Kinderen gaan rekenen”  Publicatie Vereniging van vrijescholen, Driebergen, 2006.